woord van de week 05-02-2017

God geeft Mozes een opdracht                                                               Exodus 3:1-14

God spreekt met Mozes vanuit de brandende doornstruik en vertelt hem dat Hij de nood van het israëlitische volk gezien heeft en dat nu de tijd gekomen is dit volk uit Egypte weg te voeren naar een land dat Hij zijn volk belooft. Daartoe geeft Hij Mozes de opdracht het volk uit Egypte te leiden (Exodus 3:10: “Daarom stuur Ik jou…”)

Maar Mozes ziet dat niet zitten, hij is ervan overtuigd dat hij dat niet kan en zegt dan ook tot God: “Ik? Maar dat kan ik helemaal niet! Hoe zou ik naar de farao kunnen gaan? En hoe zou ik het volk uit Egypte kunnen halen?”

Het antwoord van God is heel simpel: “Ik ben toch bij je! En Ik zal je bewijzen, dat Ik je heb gestuurd.”

Dit is niet voldoende voor Mozes en hij geeft meer redenen, waarom hij het niet kan doen. Maar God blijft duidelijk in zijn voornemen en zegt nog eens: “Ik zal bij je zijn.” Dat is de meest geweldige hulp en de heerlijkste belofte, die wij kunnen krijgen. Wij krijgen de bevestiging van de aanwezigheid van God door de Heilige Geest. Waar die werkt, waar die merkbaar is, daar is de aanwezigheid van God, daar is Hij bij ons. Dat kan in het Bijbelwoord zijn, in het gebed, in het sacrament, in de gemeenschap, in het zingen, ongetwijfeld ook vaak in het dagelijks leven. Mozes heeft door de aanwezigheid van God ongelofelijke dingen mogen ondervinden. Hoe staat het er met ons voor?

De bezwaren, die Mozes opwerpt tegen zijn roeping door God, zijn maar al te goed te begrijpen. In totaal vijf maal voert Mozes argumenten aan om zich te verweren tegen de opdracht, waarvoor God hem heeft bestemd.

Ondanks alle beloftes, ondanks alle toezeggingen, ondanks het wonder van God verzet Mozes zich tegen Gods beroep op hem; alles begint met de vraag: “Wie ben ik?” Deze vraag wordt in onze maatschappij vaak gesteld. De vraag naar de zin van het bestaan duikt bij veel mensen op en blijft onbeantwoord in het leven bestaan. De schijn is belangrijker geworden dan het zijn. Psychologen constateren, dat veel mensen niet meer overweg kunnen met de verschillende rollen, die zij in hun werk, vrije tijd, familie enz. spelen. De mediamaatschappij leidt er ook toe, dat het bij alles, hoe onbelangrijk het ook mag zijn, het belangrijkste is een goed figuur te slaan en er goed uit te zien.

Van verschillende kanten worden eisen aan een mens gesteld, die aan deze eisen moet voldoen, of het hem nu schikt of niet. Conflicten tussen deze eisen (hoe iemand moet zijn) en de realiteit (hoe iemand werkelijk is) zouden een belangrijke oorzaak kunnen zijn voor een ontstellend fenomeen: Burn-out.

Steeds meer mensen  worden ernstig ziek en lijden aan het burn-out-syndroom, opgebrand zijn, zoals een motor die geen brandstof meer heeft. Zelfs erger nog, er zijn steeds meer mensen, die tot zelfdoding overgaan, omdat ze het leven niet meer aankunnen. Men vraagt zich onwillekeurig af wat een mens hiertoe bewegen kan, hoe vertwijfeld iemand moet zijn om geen zin meer te zien in verder leven. Het zullen niet slechts materiële redenen zijn, die hiertoe bijdragen.

Een bestaanscrisis van een veel onschuldiger aard had Mozes kennelijk ook. Hij vraagt God doelmatig: “Wie ben ik dan wel? Wat is zo bijzonder aan mij, dat U mij naar de farao wilt sturen? Wat kan ik dan wel?”

Zelfs vanuit hedendaags oogpunt is deze terughoudendheid, ja bescheidenheid, begrijpelijk. Alleen al de aankondiging: de gevluchte Egyptische prins (dat was de rol, die de opgroeiende Mozes vervulde zonder het echt te zijn), die nu zijn dagen sleet als schaapherder, terug te sturen naar Egypte, direct naar één van de machtigste mannen van die tijd, kan de knieën doen knikken. En in deze situatie, waarin Mozes voor de eerste keer contact met de almachtige God heeft, waar God bijna vanuit het niets in een brandende doornstruik verschijnt, is het maar al te goed te begrijpen, dat Mozes angstig is en zichzelf eigenlijk helemaal niets wenst toe te vertrouwen. God houdt hier rekening mee en laat ook bezwaren toe, bijvoorbeeld bij Jeremia, maar Mozes overdrijft een beetje met zijn bezwaren. Toen hij bij zijn vijfde bezwaar zei: “Neemt u mij niet kwalijk, Heer, stuur toch iemand anders, wie u maar wilt.” (Exodus 4:13) en hiermee dus aangaf hem niet te sturen, werd God erg boos op Mozes. (Exodus 4:14: “Nu werd de HEER kwaad op Mozes. ‘Je hebt toch een broer, de Leviet Aäron!’ zei Hij. ‘Ik weet dat hij welbespraakt is. Hij is al naar je onderweg en zal blij zijn je te zien.’”)

Wat is de reden voor deze boosheid? Ondanks alle volgende bezwaren schijnt het eerste argument van Mozes, de vraag: “Wie ben ik?”, het beslissende punt te zijn. God antwoordt: “Ik zal bij je zijn.” Hoe onbeleefd, God antwoordt helemaal niet op de vraag. Hij negeert de vraag “Wie ben ik?”.

Waaraan ligt dat? Neemt God Mozes niet serieus? Luistert Hij helemaal niet? Dat kan het niet zijn, want op de andere bezwaren gaat God wel in. Dat God de vraag “Wie ben ik?” niet beantwoordt, heeft een heel eenvoudige reden: het speelt geen rol! Voor God en de inzet voor Hem is het onbelangrijk wie je bent, wat je bent, hoe je sociale status is, je opleiding, je capaciteit, je verdienste, je beroep, je lichaamslengte, wat dan ook – het komt er enkel en alleen op aan, dat God bij je is.

God zegt tegen Mozes: “Ik zal bij je zijn”, dat is alles. Meer is niet nodig. Daarop moet Mozes vertrouwen. Daarop moet hij bouwen. Mozes moet op de aanwezigheid van God vertrouwen, die hem hier wordt beloofd. De belofte van God is het beste, dat Mozes kan overkomen. Dat zal hij in zijn leven nog genoeg ondervinden: de plagen over de Egyptenaren, de vernietiging van het Egyptische leger in de zee, de aanwezigheid van de wolkkolom en de vuurzuil, de verzorging van het volk in de woestijn met manna en kwartels …. Gods aanwezigheid maakt de uittocht uit het land Egypte pas mogelijk.

Laten wij ons het tegendeel eens voorstellen: iemand wordt als leider van het volk volgens een heel duidelijk eisenprofiel bepaald – charismatisch, welbespraakt, overtuigend, bindend en wat nog meer van het leiderschap wordt geëist. Wat zou zo’n leider zonder de aanwezigheid van God kunnen bereiken? Vermoedelijk was de poging om het volk bij de farao weg te krijgen smadelijk mislukt.

God heeft mensen nodig, die op HEM, op ZIJN kracht en volmacht bouwen en vertrouwen, die HEM meer toevertrouwen als zichzelf. Dat gold toen en dat geldt nu. Het voorbeeld uit het Bijbelwoord van vandaag is weliswaar een roeping tot de dienst, zodat men op het idee zou kunnen komen, dat de noodzaak van Gods aanwezigheid een bijzonder en exclusief kenmerk is om in de dienst te staan voor God. Vanzelfsprekend is de geestelijke dienst in bijzondere mate van de aansporing van God tegenover de dienaren afhankelijk en natuurlijk moet hier ook de mate van vertrouwen op Gods bijstand belangrijker zijn dan welke menselijke criteria dan ook.

Als gelovigen zijn wij echter over het algemeen aangewezen op God, die zonder vooroordeel met ons is. Wij zouden allemaal reden hebben ons de vraag te stellen wie wij zijn, dat wij een beroep mogen doen op Gods genade en zegen, omdat de mens sinds de zondeval van God gescheiden is. God zij dank vindt God het onbelangrijk wat vroeger gebeurd is, als wij nu op HEM vertrouwen en HEM ons leven willen toevertrouwen. Vanuit deze achtergrond wens ik u allen: God zij met ons!

Chr. Kadner

Comments are closed.