woord van de week 12-02-2017

Plichtsbesef                                           Lucas 17:7-10

Hoe gemakkelijk verwachten wij, als wij onze taak gedaan hebben, dat wij beloond worden, zelfs dat wij recht hebben op een beloning. Zien wij het in het verband met onze Heer en Meester Jezus Christus, dan wordt daar heel anders over gesproken. Er ontwikkelt zich het gevoel van dienen, dat zich uit in een plichtsbesef. Ook dat wij dit niet meer verbinden met een beloning, want de beloning hebben wij al gekregen, namelijk het zijn van een kind van God en het mogen delen in zijn erfenis.

Plichtsbesef is een zeldzaam woord geworden in ons taalgebruik; ook wordt het vaak negatief geïnterpreteerd. Maar het drukt beslist niet alleen maar een gedwongen gedrag uit. Plichtsbesef neemt toe, daar waar verantwoording en toewijding gewaardeerd worden. Bereidwillige uitvoering of besliste afwijzing zijn twee mogelijke reacties, wanneer men op zijn plichten wordt gewezen. Begrijpelijk!

Een plicht verlangt van iemand een daad. Een plicht verbindt ons bijvoorbeeld aan bepaalde uitspraken van onszelf, of aan uitspraken, die in het kader van onze taakstelling door anderen zijn gedaan. Iets doen voor anderen is moeilijk voor diegene, die alleen maar aan zichzelf denkt. Iemand, die gewend is zelf beslissingen te nemen, zal grote moeilijkheden ondervinden, als anderen gaan bepalen hoe hij zich gedragen moet. Toegeven, of zich in het noodzakelijke schikken, is teveel gevergd van de persoon, die eigenmachtig beslissingen neemt.

Wie kan er nog wijs worden uit de vele algemene en alledaagse plichten, zoals schoolplicht, arbeidsplicht, betalingsverplichtingen, belastingplicht, de plicht tot hulpverlening, de plicht te gehoorzamen, verdragen na te komen, enz. enz.? Waarmee hebben wij ons bemoeid? Welke verplichtingen zijn wij aangegaan en tegenover wie? Laten wij eens goed nagaan tegenover wie wij verplichtingen hebben.

Wij hebben verplichtingen tegenover God, de Schepper, die ons het leven geschonken heeft en tegenover de Zoon, onze Verlosser van schuld en zonde en tegenover de Heilige Geest, die ons onderricht in volkomen waarheid en duidelijkheid. In de confirmatiebelofte hebben wij beloofd, dat wij deze drie-enige God trouw zullen blijven.

Wij hebben verplichtingen tegenover onze levenspartner, onze echtgenoot, echtgenote, die wij ten overstaan van God trouw beloofd hebben, zowel in goede als in kwade dagen.

Wij hebben als ouders verplichtingen tegenover onze kinderen, om de ons door God gegeven opdracht tot opvoeding in liefde en zorg te verrichten.

Wij hebben verplichtingen als dienende broeders en zusters tegenover Jezus, tegenover de leiding van onze Gemeente van Apostolische Christenen en ook tegenover de gemeente met de broeders en zusters, om onze ambtstaak trouw en nauwgezet, tot het welzijn van de ons toevertrouwde zielen uit te voeren. Alle gemeenteleden hebben de plicht door een intense deelneming aan de dienststonden en door het schenken van al hun gaven de gemeente te dienen.

Wij hebben verplichtingen tegenover alle mensen, tegenover onze naasten om hen te dienen naar de maatstaven van Christus, indachtig aan het woord: “…alles wat jullie gedaan hebben voor  een van de onaanzienlijksten van mijn broeders en zusters, dat hebben jullie voor Mij gedaan”.

Wij hebben verplichtingen tegenover de overheid en de wet, zolang deze niets voorschrijven, dat in strijd is met God en zijn geboden Wij moeten daarom bidden, dat Gods raadsbesluit voor onze wereld in vervulling gaat.

Deze opsomming is natuurlijk niet volledig: er zijn nog vele andere voorbeelden te geven. Maar belangrijk is de vraag, hoe het met onze plichtsvervulling is. Bij iedereen zullen wel de nodige moeilijkheden voorkomen. Wat kunnen wij doen om onze plichten na te komen? Eén verplichting uit onze opsomming zullen wij nader bekijken en toelichten: Wie de hongerige te eten wil geven, de naakte wil kleden, de gast onderdak wil verlenen (zie Matteüs 25:35-40), die moet iets hebben om aan te bieden, iets wat hij tijdig opzij gelegd heeft en nu uit vrije wil als hulp kan schenken, die moet ook bereid zijn er zo nodig afstand van te doen. Planning en spontaniteit zijn dus nodig!

Dat geldt niet alleen voor de natuurlijke, maar ook voor de geestelijke behoeften. Wie aan de nood van een broeder of zuster wil voldoen, helpt niet, als hij alleen maar op luide toon beweert, hoeveel hij toch van God houdt. De liefde verplicht ons tot dienstverlening aan de naaste! Wie uitziet naar troost en geestelijke bijstand, kan slechts hulp verkrijgen van hem, die zelf verbonden is met de bron van het leven en daaruit zijn gaven en krachten ontvangt. Dan zal het een zegen zijn te kunnen geven. Plicht werkt altijd deprimerend als men probeert deze te ontlopen of als de toewijding voor de ander ontbreekt.

Bij diegenen, die op hun rechten staan, moet vooral ook op plichtsbesef gewezen worden. In onze maatschappij wordt veel over rechten, maar weinig over plichten gesproken.

Plichtsvervulling wordt geheel onbewust tot vreugde, als deze uit innerlijke drang als iets vanzelfsprekends wordt uitgevoerd.
Zijn plichtsbesef en verantwoording moeilijke woorden voor ons, dan richten wij ons op het dienen en de zorg hebben voor de gemeente, de broeders en zusters en de medemens. Dan geeft dit een goed gevoel, waarin wij ons kunnen vinden en wordt het dienen tot een deugd.

In iedere dienststonde ontvangen wij adviezen en worden wij met het nodige “hulpmateriaal” uitgerust.

(Naar een brief van evangelist Bernd Scherbauer, Würzburg, van 30 augustus 1987)

Comments are closed.