Woord van de week 12-03-2017 (2eZondag in de 40 dagentijd)

…. opdat zij allen één zijn ….niet zelfzuchtig                                     Filippenzen 2:1-4

Kerngedachte: Haast bezwerend roept apostel Paulus de gemeente op tot eensgezindheid. Zijn dringende verzoek om eenheid in de liefde, gezindheid en overgave aan Jezus Christus maakt christenen niet tot een “gelijkgeschakelde gemeentemassa“. – Door gelijkschakeling werd ook de ter sprake gebrachte eenheid niet bereikt. – Jezus Christus is het bindmiddel, dat christenen ondanks alle diversiteit bijeenhoudt en bovendien in staat stelt tot onzelfzuchtige dienst aan elkaar.

Als Jezus Christus het middelpunt van een gemeente vormt, ontstaat met de vreugde in HEM ook de vreugde in elkaar.

Paulus weet dat de gemeente in Filippi hem een warm hart toe draagt. Ze houden van hem. Dat hebben ze hem duidelijk genoeg laten blijken. En moet je dan zien hoe hij uit die liefde tot hem munt probeert te slaan. Probeert u zich de gemeente van Filippi even concreet voor te stellen. De gelovigen daar houden van Paulus. En ze hebben met hem te doen. Want hij zit in de gevangenis. Ze hebben iemand naar hem toe gestuurd om hem te bemoedigen.
Maar die is weer terug met een brief van Paulus bij zich. Die wordt in één van hun samenkomsten voorgelezen. In die brief komt Paulus met een verzoek. Er is iets waarmee ze hem heel blij en gelukkig kunnen maken. Maar natuurlijk, als ze Paulus ergens mee kunnen helpen…
Zeg het maar, Paulus! Heb je kleren nodig? Heb je geen eten genoeg? Moeten we je wat vaker een brief sturen? Zeg het maar! Voor jou doen we alles! Maar wat vraagt Paulus? Waarmee kunnen ze hem het meest gelukkig maken? Door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één in geest. Dat is het fijnste wat de christenen in Filippi voor Paulus kunnen doen.
Kennelijk heeft Paulus zorgen over de gemeente in Filippi. Ze dreigt verdeeld te raken.
We weten niet precies hoe of wat, maar er blijken zekere spanningen te zijn. De eenheid staat op het spel. En nu werpt hij zijn gewicht in de strijd om dit te voorkomen.
Ja, het gewicht van de liefde, die ze in Filippi voor hem koesteren. Prachtig is dat.
Paulus weet hoeveel de gelovigen in Filippi van hem houden. En nu stelt hij die liefde in dienst van hun éigen welzijn.

Hij smeekt hen eensgezind te zijn. Hij smeekt daarom als om een gunst, die ze hem kunnen bewijzen. Zo klinkt zijn vermaning niet als stekelige kritiek, maar als een warme waarschuwing.

Als wij het Bijbelwoord horen, in ons opnemen en kijken naar het christendom, stellen wij vast, dat de smekende oproep van de apostel niets van zijn actualiteit heeft verloren. In Filippenzen 2:1-4 beschrijft hij datgene, wat hij in vers 5 de gezindheid van Jezus noemt. Als deze gezindheid van ons zou worden geëist, zou het voldoen aan die eis ons keer op keer jammerlijk mislukken.

Het gaat de apostel niet om een eis, misschien zelfs met een opgeheven wijsvinger. Hij wil duidelijk maken, dat de gezindheid van Jezus Christus uit de geleefde gemeenschap met HEM ontstaat. Verder heeft de levende verhouding tot Jezus Christus uitwerking op de relaties met de mensen in de gemeente en in ieders leefomgeving.

We zijn geen volmaakte gemeente. Er is zomaar iets, dat de eenheid verstoort en bedreigt. Bijvoorbeeld dingen, waarover verschillend gedacht wordt. Bepaalde ontwikkelingen in het gemeenteleven, waar je echt niet blij mee bent. Of onderlinge irritaties. Gemeenteleden, door wie we ons gekwetst voelen.
De vraag is: hoe gaan we met al deze onderlinge verschillen om?
Verschillen van mening en van inzichten zijn onvermijdelijk. Wrijvingen en botsingen – ze zijn niet te voorkomen. Zoveel verschillende mensen met verschillende karakters.
Maar juist dan komt het erop aan!
Hoe laten we dan zien toch gemeente van Christus te zijn?

Kenmerkend voor de gemeente van Christus is haar eensgezindheid. Eensgezindheid is niet: gelijk denken, hetzelfde denken, maar het is wel wat Paulus noemt: één van streven zijn. D.w.z. allemaal op hetzelfde bedacht zijn. Op hetzelfde gespitst zijn. Het is één doel kennen en dat als één man najagen. Dat ene wordt door Paulus niet met zoveel woorden genoemd, maar daarover hoeven we uiteraard niet in het onzekere te verkeren. Dat is het Koningschap van God. Dat is in woord en daad de boodschap van het evangelie uitdragen. En het herstel van de gemeenschap met God en met elkaar.

Eensgezindheid behoort tot het wezen van de gemeente van Christus. Dat is geen bijzaak, geen luxe. Nee, het is haar hoofdkenmerk. Daaraan weten we of we werkelijk gemeente van Christus zijn.

Eenheid mag geen doel op zich zijn. Kijken wij naar de kerkgeschiedenis, dan wordt duidelijk, dat – waar eenheid wordt tot doel op zich – de gemeente of kerk het zicht kwijtraakt op de opdracht om mensen voor Christus te winnen, opdat ook zij worden gered. Wat overblijft is een mentaliteit met onverkwikkelijke gevolgen als egocentrisme of zelfs zelfvernietiging.

Jezus zelf heeft het doel van de eenheid genoemd en daar vurig om gebeden: “……opdat de wereld gelooft…..” (Johannes 17:21)

Niet alleen in deze brief aan de gemeente in Filippi, maar ook in andere brieven heeft apostel Paulus de eenheid, de eensgezindheid van de broeders en zusters in de gemeentes dringend op het hart gedrukt, bijvoorbeeld in Romeinen 12:10 en 14:13-15:5, Galaten 5:26 en Efeziërs 4:1-6.

Het merendeel van ons zal met zijn hart instemmen met de apostel. Ja, precies zo zal en moet het zijn. Alleen: hoe zet men woorden om in daden? Men glijdt bij zulke woorden, waarin het over het samenzijn gaat, gemakkelijk af naar moraliseren. Daarom bekruipt ons in zulke situaties steeds weer de maar al te menselijke gedachte, namelijk:  wie zet de eerste stap? Wie waagt zich als eerste “buiten dekking”? Dat heeft de apostel helaas niet geschreven. Zo kan een situatie ontstaan, die ik “gemeentelijk mikado” zou willen noemen – vooral niet(s) bewegen. Soms ligt er al zoveel onder het tapijt, dat er bobbels zijn ontstaan.

Maar heeft degene, die zich het eerst “beweegt”, die niet volhardt in zijn positie, dus serieus werk begint te maken van het woord Gods, verloren of een flater geslagen of zelfs zwakheid getoond? Of heeft diegene juist “gewonnen”, omdat door hem het wezen, de gezindheid van Jezus Christus zichtbaar werd? Men kan daar het zijne van denken.

“… acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan u zelf.” (Filippenzen 2:3) Dus niet: blijf op je stuk staan! Maar: zet de ander op een voetstuk. Die ander, met wie je het niet eens bent. Die jou irriteert met zijn opvattingen. Of met haar of zijn manier van doen, met die botte manier van zeggen of die betweterige houding. Die ander, die jou heeft pijn gedaan. Acht die ander belangrijker dan jij zelf bent.

Er gaat een verhaal over een dominee. Een dominee kreeg eens grote moeite met een gemeentelid. De man had ernstige bezwaren tegen zijn predikant. Hij stuurde een brief naar de kerkenraad om over die predikant te klagen. Maar de man had weinig onderwijs gehad. Zijn brief zat nogal knullig in elkaar. De kerkenraad kon er niet mee uit de voeten. Toen ging de dominee naar dat gemeentelid toe.
Hij vroeg: “Zal ik je eens helpen om een goeie brief te schrijven. Zodat goed duidelijk wordt wat voor bezwaren je eigenlijk tegen mij hebt?” Die predikant hielp de man dus met een bezwaarschrift tegen zichzelf. Daar was hij het natuurlijk helemaal niet mee eens., maar zo probeerde hij hem recht te doen.
Ik denk, dat Paulus gezegd zou hebben: “Precies, zoiets bedoel ik nou!”
Die predikant diende zijn gemeentelid, want hij geloofde dat het die broeder ernst was.
Wat was het gemakkelijk geweest om die klacht niet te honoreren. Zo’n ondoorzichtig en verward verhaal. Maar hij vond, dat die man het verdiende serieus genomen te worden. Kijk, dan staat duidelijk niet het eigenbelang op de voorgrond, maar dan is er een open oog voor de belangen van een ander.
Er is zelfs reden om in Filippenzen 2:4 te vertalen: “Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar juist die van de ander.”

Het hebben van gemeenschap in Christus met elkaar is geen gemeenschap van lege woorden, want anders zou zij van begin af aan dood zijn of zou zij helemaal niet tot stand komen. De woorden “één van geest, liefde, eensgezindheid, onzelfzuchtigheid, deemoedigheid” moeten met leven, dat wil zeggen uw en mijn leven, worden vervuld en zo worden tot een geloofwaardig zichtbare getuigenis voor Jezus Christus en zijn kerk.

We geven om elkaar. We zijn aan elkaar gegeven.
Dan is het ons heel veel waard elkaar te verstaan. Dan is het ons heel veel waard, dat we het goed hebben met elkaar. Dan praten we met elkaar uit wat ons dwars zit.
Niet met hete hoofden en koude harten, maar in de liefde, die niet zichzelf zoekt, maar de ander. Hebt u de wens van Paulus begrepen? Hebt u daarin de stem van uw Heiland gehoord?
Laten we elkaar dan liefhebben met de liefde van Christus. Laten we elkaar zien in het licht van zijn genade.

Hoeveel zegen verbonden is aan de eensgezindheid, laat ons in het bijzonder dit woord van Jezus uit Matteüs 18:19-20 zien: “Ik verzeker het jullie nogmaals: als twee van jullie hier op aarde eensgezind om iets vragen, wat het ook is, dan zal mijn Vader in de hemel het voor hen laten gebeuren. Want waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben Ik in hun midden.”

Er is veel te doen. Wie begint?

V. Raus

Comments are closed.