Geloof en ongeloof                                                                                  Marcus 9:17-29

Kerngedachte:Ik denk, dat ook de leerlingen in de begintijd even klein van geloof waren, als wij het nu nog dikwijls zijn. Vaak zeggen of denken we, dat we eerst iets willen zien, voordat we het kunnen geloven. We vragen dan eerst naar een bewijs, voordat we bereid zijn geloof en vertrouwen te schenken. In tijden van nood staan we vaak meer open voor de kracht en de ondersteuning van het geloof. Maar als we in onze moeilijkheden hulp ontvangen, die ons weer uit moeilijkheden en nood helpt, wordt de ontvangen zegen al te vaak snel vergeten!

De geschiedenis van de genezing van de bezeten jongen wordt ons verteld in de eerste drie evangeliën. In het evangelie van Marcus wordt op heel indringende wijze de directe betrokkenheid van de vader beschreven. Het wordt ons duidelijk hoe zwaar hij onder de ziekte van zijn zoon en zijn eigen onmacht leed. Verder lezen we, dat de jongen al vanaf zijn vroegste jeugd aan de ziekte leed. Dit betekent dus, dat ook de ouders daar al vele jaren onder leden. Hoeveel gevoelens van angst, hoop, wanhoop en misschien ook berusting, hoeveel tranen en gebeden zouden in al die jaren verborgen liggen? Niemand was tot dan toe in staat geweest de jongen te helpen.

In uiterste nood kwam de vader naar Jezus om Hem om hulp te vragen. Omdat hij alleen enige van Jezus’ leerlingen aantrof, verzocht hij hun de boze geest uit te drijven en zijn zoon te genezen. Hoewel de leerlingen al vaker, met de volmacht van Jezus, zieken genezen en geesten uitgedreven hadden, konden ze het niet. Jezus wijst zijn leerlingen in scherpe bewoordingen terecht: “Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet Ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen?” (Marcus 9:19) Ook de vader kon zijn twijfel niet langer verbergen en sprak:  “…maar als U iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.” (Marcus 9:22) Ook de vader wees Jezus terecht: “…Of Ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie gelooft.” (Marcus 9:23) “Meteen riep de vader van het kind uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’” (Marcus 9:24) De vader liet zich door Jezus verder leiden. Uit zijn in nood geboren geloof ontstond een geloof aan het woord.

Op het eerste gezicht lijkt het eerlijke antwoord van de vader een tegenstrijdigheid te bevatten, want hoe kunnen geloof en ongeloof nu bij elkaar passen? Uit ervaring weten wij echter, dat we in onze bereidheid om te geloven heel vaak belemmerd worden door opkomende kleingelovigheid. In dit licht moet dan ook de bede van de vader worden gezien en in moeilijke situaties zullen wij ons menigmaal met deze bede tot God hebben gericht.

Door geloof aan het woord van Jezus doen we ervaringen op en komen we tot resultaten. We hebben er dan geen behoefte aan eerst tekenen en wonderen te zien. Degene die waarachtig gelooft, weet dat Jezus’ woord waarheid en leven, kracht en wijsheid is. Zulk een geloof wordt een heilskracht voor de ziel. Het is een levend geloof, waarin God de Vader een levende God is die wij bewust willen volgen.

De steeds groter wordende kennis, verkregen door voortschrijdende technologische ontwikkelingen en wetenschappelijk onderzoek, heeft tot gevolg gehad, dat het geloof aan God en zijn werken bij een groot deel van de mensheid aan het wankelen is gebracht. Niet zelden moet een gelovige ervaren, dat zijn instelling en gezindheid belachelijk worden gemaakt. Toch zien wij steeds meer, dat het vertrouwen in en op de wetenschap niet het bewijs van de hoogste wijsheid is. Integendeel, men zal steeds vaker met Paulus tot de volgende erkenning moeten komen: “…het dwaze van God is wijzer dan mensen, en het zwakke van God is sterker dan mensen.” (1 Korintiërs 1:25) Hoewel deze uitspraak voornamelijk betrekking heeft op de boodschap over het kruis, kunnen we die ook toepassen op tal van gebieden van het leven, waarop wij tegenwoordig menen de goddelijke leefregels ongestraft te kunnen schenden.

Het is niet van belang op welke wijze wij gelovig zijn geworden, maar het is van het grootste belang dat wij bewust vanuit ons geloof leven. In dit geloofsbewustzijn ligt de wetenschap besloten, dat God leeft en dat Jezus Christus elke dag bij ons is tot de voleinding der wereld. Dat zijn aanwezigheid in de geest ons de kracht en de wijsheid schenkt om vast in ons geloof te kunnen staan. Het is daarbij niet belangrijk of wij met vele tienduizenden, met enkele duizenden of zelfs geheel alleen zouden staan. God openbaart zijn kracht uit onze zwakheid. Tot apostel Paulus sprak de Heer: “….‘Je hebt niet meer dan mijn genade nodig, want kracht wordt zichtbaar in zwakheid.’” (2 Korintiërs 12:9)

Moge deze geloofszekerheid in jong en oud wonen en ons allen in tijden van geloofsaanvechtingen sterken en steunen en ons zekerheid schenken, zodat wij aan God kunnen vasthouden.

J.T. den Haan

Comments are closed.