De grote verandering                                                                            Jesaja 29:17-24
 

Kerngedachte: De wereld, waarin ik leef, wordt gezien en onderscheiden vanuit de andere wereldvisie van God. Welk een liefde, welk een erbarmen.

Om te beseffen dat de toestand van de wereld een verloren zaak is en de mens in zijn goddeloosheid de wereld niet meer onder controle krijgt, hoef je geen bijzondere profetische gaven te hebben. Jesaja beschrijft het voor de toenmalige tijd met woorden als blind, doof, ellendig, arm, tirannie, spot, onheil, valse beschuldigingen. Machtsmisbruik en leugen worden eveneens als kenmerk van “menselijk” handelen door hem benoemd. De dagelijkse nieuwsberichten bevestigen deze toestand ook voor de tegenwoordige tijd. De wereld heeft het wezen van Laodicea (Openbaringen 3, vanaf vers 14). Ze is door de zonde verdorven en er zou geen hoop zijn, als God geen begrip zou tonen en zijn wereld te hulp zou komen.

Er zijn teveel armen en velen, die onder de voet gelopen worden en de machtigen laten steeds hun eigen belang prevaleren en richten daardoor veel onheil aan. Volkeren worden onderdrukt, het onrecht triomfeert. Eerzucht en eigenbelang, bedreigingen en chantage en het overgeleverd zijn aan politieke en economische belangen bepalen de dagelijkse gang van zaken in veel landen en niemand weet meer wat goed of slecht is. Sinds de mens God als zijn Schepper en Heer van de wereld verloochend heeft, verkeert ze in duisternis en uitzichtloosheid.

De klachten van de profeet over het verblinde volk, dat met het hart ver van God is en dat zich door de goddelijke aanwijzingen en dreigende oordelen niet onder de indruk toont, riep de barmhartigheid van God, de redder Jezus Christus naar voren.

Met Christus is de ommekeer begonnen. “God maakt de verloren zaak van de mensen in Jezus Christus tot zijn eigen zaak” (Karl Barth, een Duitse protestante theoloog) en verklaart dit op deze manier tot hoofdzaak. Nu beginnen de doven weer te horen, de blinden worden genezen en zien Gods ingrijpen en de spotters beginnen God te loven. “Denken jullie dat Ik het toejuich als een slecht mens sterven moet? – spreekt God, de HEER. Nee, Ik wil dat hij tot inkeer komt en in leven blijft.”(Ezechiël 18:23)

“Dan zullen verdrukten de HEER weer loven, zwakken juichen om de Heilige van Israël. Want het is gedaan met de geweldenaar, voorbij met de spotter. Ieder die op onrecht zint, zal vergaan: wie een ander valse beweringen ontlokt, wie de rechters in de poort wil verstrikken, wie het recht van de rechtvaardige schendt met loze beweringen.” (Jesaja 29:19-21)

Nu kan men zich instellen op Gods nieuwe wereld of verdergaan in de oude. Dat laatste zou ook niet verwonderlijk zijn. Reeds Jesaja klaagde over het ongeloof van het volk en het onvermogen om naar zijn prediking te luisteren.
Jezus betreurde later herhaaldelijk de onwil van Israël: “Hoe vaak heb Ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar jullie hebben het niet gewild.” (Matteüs 23:37)

Hoe nemen wij tegenwoordig een beslissing en weten wij wat goed of slecht is?

De diagnose van de profeet toont aan, waar de oorzaken liggen en genezing nodig is. De nieuwe wereld verkeert in barensnood en dat gaat niet zonder pijn, het is nodig boete te doen en zich af te keren van de werken der duisternis. Christus de Heer komt en met Hem de nieuwe wereld, waarin voor begenadigde zondaren “de hemel open staat”. De gelijkenis van de koninklijke bruiloft in het evangelie van Matteüs, hoofdstuk 22, maakt duidelijk dat niet alle genodigden bereid zijn het witte kleed der genade aan te trekken: “… de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht….” (Johannes 3:19). Laten wij ons in de beloften van God verheugen en laten we ons richten naar Christus, de beginner en voleinder (alfa en omega).

F. Simons

Comments are closed.