Wie is mijn moeder of wie zijn mijn broers?                                       Marcus 3:31-35

Kerngedachte: De omgang met elkaar mogen en “zullen?” wij altijd onderwerpen aan de wil van God, – dan is het goed en in orde.

“Degene die Gods wil doet, die is mijn broer en mijn zuster en mijn moeder.”

Een provocatie voor het joodse denken. Er waren volgens het joodse denken geen sterkere banden in het leven dan familiebanden.

Van de Israëlische conservatieve minister-president Netanyahu wordt verteld, dat hij tot schrik van zijn gastheer en geheel tegen het protocol in met zijn hele omvangrijke familie bij de conferenties en onderhandelingen in Amerika en Europa arriveerde.

Trekt Jezus deze familiebanden in twijfel? Zeker niet, dat maakt Hij later duidelijk als Hij aan het kruis nog voor zijn moeder zorgt. Maar Hij plaatst familiebanden in een groter verband. Familiebanden ziet Hij niet slechts in biologische, maar ook in geestelijke zin.

Grondslag voor deze “nieuwe familie” is nu het opnieuw geboren worden uit water en Geest en de daardoor ontstane “nieuwe mens”, die de wil van zijn Vader doet.

De wil van de Vader doen wij door ons tot zijn Zoon te wenden en ons daardoor te ontwikkelen van een gemeentelid tot een overtuigd christen.

In het evangelie van Matteüs zegt Jezus: ”…..de vijanden van de mensen zijn hun eigen huisgenoten. Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van Mij, is Mij niet waard, en wie meer van zijn zoon of dochter houdt dan van Mij, is Mij niet waard.” (Matteüs 10:36-37)

Harde woorden, maar helder en duidelijk. Zij maken duidelijk, dat er geen geloof is tegen een nultarief. Omdat de navolging uit het geloof komt, is dat ook hierop van toepassing.

Horen wij bij de “familie” van Jezus? Doen wij Gods wil en dragen wij daarmee bij aan de nieuwe familiebanden in de kerk van Christus? Ja, lukt het ons misschien in onze gemeente zo te leven als Jezus het bedoeld heeft?

Of is het zo dat persoonlijke relaties, de vereniging, de vriendenkring etc. het grotere verband geven? Waar zijn wij “thuis”?

Misschien begrijpen we in dit spanningsveld de woorden uit het evangelie van Matteüs (10:34): “Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” (overigens een pijnlijke ervaring, die vele families hebben meegemaakt bij de scheiding van de NAK).

Toen Jezus zijn discipelen aanstelde, riep Hij ze uit hun (burgerlijk) leven, uit hun werk, uit hun familie. Ze lieten wel het een en ander achter.

Als wij in zijn navolging staan, laten ook wij het een en ander achter. We mogen echter vertrouwen op zijn toezegging: ”Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het behouden.” (Matteüs10:39) of: “Iedereen die Mij zal erkennen bij de mensen, zal ook Ik erkennen bij mijn Vader in de hemel. Maar wie Mij verloochent bij de mensen, zal ook Ik verloochenen bij mijn Vader in de hemel.” (Matteüs 10:32-33)

Wie Jezus als zijn Heer erkent, leeft in een nieuw verband, leeft in een nieuwe “familie”, maar beleeft ook de dagelijkse conflicten met de “oude mens”. Die “oude mens” wil ons beletten de wil van God te doen. Gods wil wordt concreet in onze omgang met onze naasten. Wie onze naaste is, laat ons de geschiedenis zien van de mens, die in handen van rovers is gevallen. Hier merken we misschien, dat wij niet kunnen uitzoeken wie onze broeder of zuster is.

Raakt daar onze godsdienstigheid aan het wankelen? “Religie moet er zijn, maar zij mag de normale gang van zaken niet verstoren.”

In onze kerk, bij iedereen wordt openheid vereist; open deuren en harten voor degenen, die ons niet meteen te binnen schieten, als we denken aan onze gemeenten, waarin wij ons thuis voelen.

Degenen, die daar om Jezus heen zaten, waren mensen, die niet tot de betere burgers behoorden. Een gemengd gezelschap. Jezus opent hen de blik op God. Hij maakt van mislukkelingen navolgers, zijn leerlingen.

Dat wil Hij ook nu nog. Laten we ons toch door Hem, die onze Heer en broeder wil zijn, aanspreken. Laten we ons doen opnemen in de familie Gods. Waar dat door zijn genade gebeurt, zullen onze harten zich openen voor broeders en zusters, die elders kritisch worden bekeken.

Zijn woord, zijn evangelie kan ons in deze geweldige vrijheid leiden.

Ik wens ons dit van harte toe.

W. Amann

Comments are closed.