Over de twee verschillende zonen                                                     Matteüs 21:28-32

Kerngedachte: Het komt er niet op aan wat we ooit gezegd hebben: tenslotte geldt wat we doen. Ommekeer is noodzakelijk en te allen tijde mogelijk. De bereidwilligheid daartoe alleen is niet voldoende.

Als kind heb ik eronder geleden als volwassenen hun beloften niet nakwamen. Eens beloofde men mij: “Ja, op donderdag gaan we samen schaatsen.” Mijn voorpret was reuzengroot. Toen het plan met een smalend: “Nee, nu heb ik geen zin” in het water viel, was mijn teleurstelling groot. Een banaal voorbeeld. Maar na een hele rij van soortgelijke ervaringen besloot ik wat voorzichtiger met de voorpret te zijn. Er wordt wel gezegd: “Voorpret is de mooiste pret.” En zo behoedde ik voortaan mijn ziel voor bedroefdheid tegen de prijs van de voorpret, die ons eigenlijk in de wolken doet zijn en het leven van alledag verlicht.

Iedereen zal ze kennen, degenen die ja zeggen en die je tenslotte in de kou laten staan. Iedereen zal trouwens wel eens beloften hebben gedaan, die hij tenslotte niet waar kon maken. Daarbij betreffen deze toezeggingen, zoethoudertjes en beloftes alle situaties van ons leven, zowel in de liefde, als in ons beroep of gezin. Wij ervaren dat een “Ja, direct” een absoluut rekbaar begrip is, dat van “dadelijk” tot “nooit” reikt.

Er zijn maar weinig mensen, die absoluut betrouwbaar achter hun “ja” of “nee” staan. Velen kunnen eenvoudig geen “nee” zeggen. Dat zijn degenen, die veel taken en plichten op zich nemen, ook in de gemeente. Anderen zeggen liever eerst maar “nee”. Zij hebben tijd nodig om te overwegen. Het besluit om iets te doen moet rijpen. En zo kan het gebeuren, dat zij present zijn, hoewel niemand nog op hen gerekend had.

Het is overbodig erover na te denken wat nu beter is. Jezus vraagt niet: “Wie van de beide zonen heeft beter gehandeld?”, maar: “Wie van beiden heeft de wil van de Vader gedaan?” Het antwoord ligt voor de hand en ook de hogepriesters en oudsten vinden het niet moeilijk.

Toen ik bij mijn confirmatie, bijna 14 jaar oud, de belofte uitsprak, was ik mij van de draagwijdte daarvan niet bewust. Ik bleef veeleer “in het huis van de Heer”, omdat men mij een taak opdroeg. Toen de organist van onze gemeente ouder werd, onderwees mijn vader mij in het koraalspel. Toen bezocht apostel Gaßmeyer ons gezin en liet mij tenslotte beloven de taak van de musicus over te nemen. Ook toen andere jongeren meer en meer uit de diensten wegbleven, nam ik mijn plaats achter het harmonium in. Het “ja”, dat ik de apostel gegeven had, woog zwaarder dan de belofte op de dag van mijn confirmatie.

Daarbij ben ik als “autodidact” geen licht op het instrument. Maar in de wijngaard van de Heer worden niet alleen goed opgeleide vakmensen gezocht. Ook u bent welkom! Hier gaat het erom, dat er iets wordt aangeplant, gekoesterd en verzorgd, dat het leven dient, de mensen en hun gemeenschap.

Wie behalve Jezus zou het destijds gewaagd hebben deze ambtsdragers een spiegel voor te houden. Veel leiders van het volk kwamen er tegenover de Farizeeën niet voor uit, dat ze in Jezus Christus als Zoon van God geloofden, om niet het gevaar te lopen uit de synagoge te worden gezet (Johannes 12:42). Het aan de kaak stellen van hun houding was zelfs levensgevaarlijk. Maar Jezus speelde niet met zijn leven. Hij wist al, dat Hij het verliezen zou. En zo deed Hij er in de gelijkenis van de slechte wijnbouwers (Matteüs 21:33-46) nog een schepje bovenop, doordat Hij hun ronduit beloofde dat Gods rijk van hen genomen zal worden en aan het volk gegeven zal worden. Wanneer hebben wij het voor de laatste keer aangedurfd de waarheid zo onverbloemd uit te spreken, zelfs op het gevaar af, dat wij onze plaats in de vriendenkring of aan de stamtafel van de notabelen verliezen? Van gevaar voor lijf en leden wil ik niet eens spreken.

De wegen naar het doel zijn zelden recht of leiden steeds omhoog. Daarom loont het zich van tijd tot tijd een controle uit te voeren. Omdat tenslotte het resultaat beslissend is, zou het fataal zijn dit aan het toeval over te laten. “We zien ’t wel,” is niet de juiste instelling in de navolging van Jezus Christus.

Op deze weg gaat het niet slechts om ons leven. Ook wanneer we zoals de rijke jongeling denken, dat we alles goed gedaan hebben, helpt het ons niets als onze levensweg omzoomd is door gelegenheden, die we niet benut hebben. We hebben de duidelijke opdracht van onze Heer zijn woord door te geven. In zijn hogepriesterlijke gebed aan de Vader, kort voor het begin van de lijdenstijd, bidt Jezus niet slechts voor de zijnen, ”maar voor allen die door hun verkondiging in Mij geloven.” (Johannes 17:20)

Een onderneming uit Hamburg vervaardigt caloriearme levensmiddelen en lanceerde eens de reclameslogan: “Ik wil blijven zoals ik ben!” Ja, dat mag u. U moet echter niet! Uit het “nee” van uw leven kan ook weer een “ja” worden. En het absoluut fantastische aan Gods gerechtigheid is, dat ook de laatsten, die in zijn wijngaard verschijnen, hetzelfde loon als alle anderen krijgen. Om het even, of ze eerst ja of nee gezegd hebben. Belangrijk is, dat ze zijn gekomen!

Laten we ons niet ergeren, als die vervelende collega, die nooit iets van ons wilde weten, er al voor ons is! En kijk nou: het aan drugs verslaafde meisje van het station en de drankzuchtige buurman zijn er ook al. Niet te begrijpen! Of toch? Hopelijk lukt het ons, die al zo lang vrijwillig(!) in de wijngaard werken, de jaloezie te weerstaan en de nieuw aangekomenen van ganser harte welkom te heten! Juist deze “nieuwen” zijn zo vol enthousiasme en waardering, dat zij bijzonder ijverig in dienst zijn en vol elan anderen inhalen, die reeds decennia hetzelfde werk plichtsgetrouw met steeds minder overgave doen. Deze nieuwkomers worden eerst eens netjes afgeremd en op hun plaats gezet. Hun komt voorlopig een plaats aan het eind van de tafel toe. “Ha, daar zou wel iedereen kunnen komen!”

Wij weten reeds zeer veel over het rijk Gods en het goede antwoord op de vraag: “Wie heeft de wil van de Vader gedaan?” Het ontmaskert echter ook onze gebreken, wanneer we onszelf plotseling in het licht van de gelijkenis tegenkomen en moeten beschouwen. Wij weten immers niet altijd precies wat goed en niet goed is. Bij gebrek aan besef van wat verkeerd is, kan ons het ontnuchterende inzicht, dat het ook voor u en mij tijd is voor ommekeer, als een mokerslag treffen.

Oké, we willen wel. We willen al zo lang. Het voornemen is er! Maar zoals bekend: de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. Het uiteindelijke “vonnis”  aan het eind van ons leven zal geen uitvluchten toestaan. “Ik heb het toch alleen maar goed bedoeld!”, zal ons niet redden. Men heeft ons het woord Gods geleerd, we hebben veel voorbeelden gehad. Daar helpt alleen de eerlijke vraag: “Heer, wees mij zondaar genadig!” En dan krijgen we te horen: “Ga heen en werk heden in de wijngaard!” Laten wij bidden, dat God ons de kracht tot ommekeer schenkt! “want het is God die zowel het willen als het handelen bij u teweegbrengt, omdat het Hem behaagt.” (Filippenzen 2:13)

Wat betreft het Bijbelwoord over het zweren: “Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.” (Matteüs 5:37), is het gedrag van beide zonen voor verbetering vatbaar. Beiden handelen anders dan ze zeggen. Dat kunnen wij toch beter, of niet? Misschien horen we zelfs bij degenen, die “ja” zeggen en er ook naar handelen. Wow, respect! Een voorbeeld in de gemeente, een vuurtoren op een klip, een hulp in het geloof, een aanmaningsteken voor alle zondaren.

God behoede ons voor degenen, die denken dat ze het voor honderd procent goed doen en hun gedrag tot maatstaf voor anderen maken! Hun blik verengt zich zozeer, dat ze het vermeende wangedrag van hun broeders en zusters veroordelen en daarbij gelijkgezinden zoeken, die hun mening delen. Het gemeenschappelijke perspectief voor een hechte gemeenschap van zeer verschillende medechristenen gaat verloren. Met de instelling: “Zo en niet anders!” worden zij tot kritische, beperkt denkende christenen, voor wie men maar heel moeilijk iets goed kan doen.

God moet verhinderen, dat eigenschappen als begrip, inlevingsvermogen, eerbied en tolerantie bij ons verloren gaan. Jezus Christus kwam niet in deze wereld om te oordelen (Johannes 12:47). Ons komt het oordeel al helemaal niet toe. “Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!” (Matteüs 3:2 en 4:17). Hoe velen zullen wensen: “Had ik maar ja gezegd.” Jammer om iedere gemiste en verzuimde gelegenheid.

Als we onze dochter Carina  roepen en haar vragen iets te doen, horen we meestal: “Ja, ik kom!” En korte tijd later komt ze vrolijk neuriënd met een haar eigen vanzelfsprekendheid de trap af om de haar opgedragen taak te vervullen. Ze zijn er dus toch: de engelen op aarde. En als God op ons: “Ja, ik kom!” evenzo vertrouwen kan, is zijn “voorpret”  over ons vele malen groter dan de mijne destijds over het schaatsen.

S. Emde

Comments are closed.