De dag van de reformatie: Heb geen angst voor de mensen            Matteüs 10:26-33

Kerngedachte: In dit Bijbelwoord voor de dag van de reformatie worden wij aangemoedigd niet bang te zijn. Er is inderdaad moed voor nodig zich steeds opnieuw tegenover de mensen voor de HEER uit te spreken. Daarbij hoeven wij niets nieuws te verzinnen, maar in het voortdurend bewustzijn leven, dat wij alleen in de reformatie (reformatio in het Latijn = herstel, vernieuwing), dat wil dus zeggen terug naar de oorsprong, naar Jezus Christus alleen, vooruitgang naar Hem kunnen maken.

Wij vieren de dag van de reformatie, die met het vastnagelen van de 95 stellingen van dr. Martin Luther op de deur van de slotkerk in Wittenberg op 31 oktober 1597 zou moeten zijn begonnen. Vervolgens heeft Luther ter verdediging van zijn stellingen op de rijksdag in Worms op 18 april 1521 verschillende werken geschreven, onder andere “Over de vrijheid van een christenmens” (1520),  welke vrijheid hij in 30 stellingen beschrijft en waarmee hij als volgt begint:

“1e. Opdat wij grondig beseffen wat een christenmens is en hoe het er met de vrijheid voorstaat, die Christus voor hem heeft verworven en hem heeft gegeven, waarover Sint Paulus veel schrijft, wil ik deze twee stellingen poneren:
·        Een christenmens is een vrije heerser over alle dingen en aan niemand onderworpen – door het geloof.
·        Een christenmens is een dienstbare slaaf van alle dingen en aan iedereen onderworpen – door de liefde

Deze beide tegenstrijdige uitspraken deed hij op grond van de betogen van apostel Paulus, gericht aan de Korintiërs: “Vrij als ik ben ten opzichte van iedereen, ben ik de slaaf van iedereen geworden om zo veel mogelijk mensen te winnen.“ (1 Korintiërs 9:19) en “Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld.“ (Romeinen 13:8)

En Luther besluit zijn hoogst interessante, geniale memorandum, dat ik als studiemateriaal warm aanbeveel (te vinden op internet) met de laatste stelling:

 “30e: Uit dit alles volgt de stelling, dat een christenmens niet in zichzelf leeft, maar in Christus en zijn naaste – in Christus door het geloof, in de naaste door de liefde. Door het geloof stijgt hij boven zichzelf uit tot God; vanuit God daalt hij neer door de liefde en blijft toch steeds in God en in de goddelijke liefde, zoals Christus zegt: “…. jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon.“ (Johannes 1:51)

Zie, dat is de echte geestelijke, christelijke vrijheid, die het hart vrijmaakt van alle zonden, wetten en geboden, die alle andere vrijheden overtreft zoals de hemel de aarde, die het ons mogelijk maakt God juist te begrijpen en te behouden. AMEN.“

De slotstelling stemt ook  volledig overeen met de oproep tot de echte vrijheid van apostel Paulus aan de Galaten: “Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.“ (Galaten 5:1)

In ons Bijbelwoord bij het thema mensenvrees en Godsvrees roept Christus de toehoorders driemaal op niet bang te zijn. Dat kan alleen lukken, als wij ons als huidige toehoorders  – zoals in het begin door Luther zo nadrukkelijk is beschreven – tot vrije christenmensen ontwikkelen, wat ik als een permanente levenstaak beschouw. Slechts uit deze vrijheid door het geloof zullen wij de soevereiniteit verkrijgen, alle mensen zonder angst, d.w.z. in liefde te bejegenen, want angst maakt geen deel uit van de liefde! (1 Johannes 4:17-18) En slechts zo kunnen wij voor iedereen een dienstbare knecht zijn, dus een vriend en leerling van Christus zijn en voortaan zijn opdracht vervullen.

Het evangelie, de blijde boodschap, is geen verborgen onderwijs. Daarom moet deze boodschap worden onthuld, d.w.z. bekend worden gemaakt en worden verkondigd. Als leerlingen van Jezus zullen wij niet zwijgen over hetgeen wij hebben ingezien, of beter nog, waarvan ons hart is ontvlamd: “Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.” Concreet betekent dat voor ons: ook als onze maatschappij goddeloos is geworden, onze naasten en vrienden niets van God willen weten of horen, willen wij ons geloof voor de redding, verlossing en het heil van de hele wereld door Jezus Christus, onze Heer, openlijk belijden. Het is onze hartenwens onze medemensen het hemelrijk met de weldaden van Jezus te beschrijven en te openbaren. Met de zaligsprekingen (Matteüs 5:1) bijvoorbeeld wordt duidelijk wat ons mensen al in deze tijd gelukkig, ja zalig maakt. Daarmee wordt eveneens ook duidelijk, waarheen de door velen betrachte levenswijze, bestaande uit de zucht naar materiële zaken en het eren van de god Mammon, leidt: naar het tegenovergestelde, naar het ongeluk, naar het niets. Wie het leven in deze zin liefheeft, zal het verliezen!

Dat maakt de  uitspraak begrijpelijk, dat wij niet moeten vrezen voor diegenen, die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen deren, want het gaat immers om het eeuwige leven. Daarentegen moeten wij vrezen voor de Schepper van het leven, de almachtige God, die lichaam en ziel in de hel kan laten ondergaan. Als gelovige vestigen wij dus ons hele vertrouwen en onze hele hoop op de kracht van God, die in zijn liefdesmacht sterker is dan zijn tegenstander, grootdoener en verderver. Wij bejegenen HEM in nederigheid, d.w.z. wij danken en aanbidden HEM, lof prijzen en eren alleen zijn naam – Soli Deo Gloria!

Als wij God zo vrezen en HEM belijden, hebben wij voor niets en niemand iets te vrezen, hoewel deze houding bedrieglijk voor ons natuurlijke lichaam kan worden (martelaren om Christus’ wil) of op zijn minst tot verachting bij de mensen kan leiden. Desondanks staan wij volledig onder Gods hoede, wat de volgende gelijkenis over de mussen en onze getelde haren aanschouwelijk maakt: “Wij zijn meer waard dan veel mussen.“ Maar niemand valt uit de hemel buiten zijn wil om. Deze troost is sterker dan de angst van de wereld. (Editie C, een Duitse Bijbeluitgave).

Uiteindelijke gaat het om onze belijdenis van de HEER voor de mensen. Een verborgen, persoonlijk christenzijn zal zonder effect wegsterven. Wij mogen, kunnen, ja moeten echter weten, dat onze belijdenis van de HEER voor de mensen tot belijdenis van Christus voor zijn hemelse Vader zal leiden – zoals het amen in de kerk, dus met  absolute zekerheid. Dat geldt eveneens voor de verloochening – met totaalgevolg en hoogste gerechtigheid, zonder mitsen en maren! “Heer, Heer, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in Uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in Uw naam? En dan zal Ik hun rechtuit zeggen: ”Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!” (Matteüs 7:22-23) Wat een belofte –  toe- of afzegging!

Van ganser harte wens ik ons allen de blijde, moedige, openlijke belijdenis van de HEER toe en in de vrijheid van een christenmens in de zin van Martin Luther. Daarmee staan wij al in deze tijd in een levendige relatie met HEM: “Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.” (Handelingen 17:28)

W. Baltisberger

Comments are closed.