woord van de week 7-1-2018

God zegt: Ik wil de dorstige voor niets geven van de bron van het levende water.  Openbaring 21:6

Dat kennen wij: de weldaad, als wij na vermoeiend werk, na sport of een lange wandeling de dorst met een verfrissende drank lessen. De jaarleuze met het beeld van de bron en water spreekt ons onmiddellijk aan. Ook de toevoeging ”levend” bevalt ons, want per slot van rekening geven wij allemaal de voorkeur aan een sprankelende bron, een heldere bergbeek boven een muffe plas of een stinkende poel.

Bij mij komt echter nog een ander beeld boven. Een huilende baby, die pas dan kalmeert, als de ouders hem of haar wat te drinken geven en de dorst gelest is. Later leert het kind zelfstandig de kop, het glas te pakken om te drinken. Als volwassenen verschaffen wij ons dan onze dranken helemaal zelf, wanneer, waar en hoe wij het precies willen. Wij maken ons er nauwelijks druk over , of wij genoeg voor het leven noodzakelijke vloeistof tot ons nemen. Thans wordt aangenomen, dat een mens met een doorsnee postuur ongeveer 3 liter vloeistof per dag nodig heeft – wie drinkt nou regelmatig zoveel? Studie heeft aangetoond, dat onze behoefte aan vloeistofopname met het stijgen van de leeftijd zelfs nog verder afneemt, daarbij is een gebrek aan vloeistof een wezenlijke factor voor hetgeen wij verouderen noemen. Gebrek aan vloeistof leidt tot het afsterven van lichaamscellen en dat ziet men dan in de loop van de jaren aan onze lichamelijke verschijning. Stoutmoedige stellingen houden zelfs in, dat verouderen voorkomen zou kunnen worden, als het ons maar zou lukken genoeg vloeistof tot ons te nemen. Sinds eeuwen weten de mensen: water is leven.

Niet alleen ons lichaam heeft water om te leven nodig. Ook de ziel en de geest kunnen verdrogen en afsterven. Hoe ziet het er bij ons uit? Zijn wij nog “als de kinderen” en verlangen wij energiek naar het leven gevende, het “levende water”, of zijn wij al volwassen en verzorgen wij onszelf met alles wat wij voor ziel en geest menen nodig te hebben? Waarvandaan nemen wij de noodzakelijke geestelijke levensenergie? Waar is onze krachtbron? Dient de gekozen geestelijke voeding echt tot leven en overleven en is die eigenlijk wel voldoende?

Hoeveel mensen hebben geen “dorst naar het leven”? Steeds nieuwe sport-, vrije tijd- of spirituele aanbiedingen worden uitgeprobeerd en geven toch geen blijvende bevrediging. Alles wat wij hier in ons aardse leven creëren is uiteindelijk vergankelijk. Wie probeert zijn dorst met gedestilleerd water te lessen, zal het tegendeel ondervinden. Dit water zal de voor het leven noodzakelijke zouten in het lichaam binden en wegspoelen. De dorst wordt groter in plaats van minder. Mensen, die hun geestelijk overleven aan het vergankelijke verbinden, zullen hun dorst niet kunnen lessen. Integendeel, steeds meer, steeds groter, steeds excessiever is meestal het gevolg en toch vinden zij geen vervulling van hun verlangens.

Wat is dat echter voor water, dat zoals uit een bron onuitputtelijk en levendig opborrelt? Een water, waarvan Jezus Christus zegt: “.. wie het water drinkt ……… zal nooit meer dorst krijgen.” (Johannes 4:14). Dit water is onbetaalbaar. Wij hebben niets waarmee wij dit water zouden kunnen kopen, niets waarmee wij dit water zouden kunnen verdienen. Daarom wijst God erop, dat Hij ons dit water wil schenken. Hij geeft het voor niets. Dit levende, leven gevende water is Jezus Christus. God geeft ons zijn Zoon, opdat wij eeuwig kunnen leven/overleven. Jezus zegt hierover verder: “Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.” (Johannes 4:14).

Bij elke gever hoort een ook een nemer. Hoeveel nemen wij van hetgeen God in rijkelijke overvloed wil geven? Zijn wij ook hier weer als de kinderen, die nooit teveel kunnen krijgen of eerder als de senioren, die nauwelijks nog dorst voelen? Zoals wij in het natuurlijke leven niet merken, dat wij te weinig drinken, zo lopen wij ook in ons geestelijk leven, in ons eeuwige leven het gevaar, dat wij menen dat alles wel oké is, daarbij drogen wij ongemerkt langzaam uit. Wie ongemerkt uitdroogt, kan, als de symptomen dan onmiskenbaar optreden, vaak slechts nog door kordaat ingrijpen en directe transfusies van de dood worden gered. Zoals de sleur van de drinkgewoontes gedurende vele jaren de mens kan uitdrogen, zo kunnen ook de geloofsgewoontes ertoe leiden, dat wij helemaal niet merken, dat het ons aan levend water ontbreekt. Ook de gemeente in Efeze had daar uiteindelijk gebrek aan, ondanks al hun werk en inspanning voor de beslissende, leven gevende eerste liefde (Openbaring 2:1-7). Als wij geestelijk uitdrogen is het geen schande aan het infuus te belanden. Juist voor de zwakken, de zieken en de armzaligen is Jezus gekomen. “Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel.” (Matteüs 9:12) Jezus wil en kan ons leven redden, niet alleen de jaren hier op aarde, maar veel meer: ons eeuwige leven.

Waar wij het levende water van God, dus Jezus in zijn gehele wezen als onze Heer aannemen, waar wij de Heilige Geest ruimte geven ons duidelijkheid te schenken, ons te leiden, te sterken en te troosten, komen wij in de gemeenschap van Gods rijk. Onze dorst naar vervulling van het leven wordt gelest. Platgetreden paden, door gewoonte afgestompte ervaringen, verkilde verhoudingen, hopeloze situaties en zelfs liefdeloze harten krijgen een nieuwe glans, streven naar meer, verheugen zich op de toekomst. Waar Gods rijk een mens vastgrijpt, waar Jezus de Heer van het leven wordt, “is niets wat het was en blijft niets zoals het is.” (Zing een lied van God; dit is een Duits NAK-lied)

Wij hebben met de jaarleuze een moed makende en sterkende belofte van God. Wij kunnen erop rekenen, dat God zijn belofte gestand doet. Het ligt geheel aan ons, wat wij ermee doen.

Overigens: wij hoeven met het water, dat God ons wil geven, niet gierig te zijn. Uit de bron vloeit in overvloed. Wij mogen afstaan en doorgeven, zoals Jezus het zegt: “’Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft’ zo zegt de Schrift.” (Johannes 7:38)

U. Hykes

Comments are closed.