208

Terug naar zangbundel
Terug naar slotliederen

De Heer kent al de zijnen

De Heer kent al de zijnen,
Hij heeft hen steeds gekend;
Hij doet zijn licht hun schijnen,
en redt z’ uit all’ ellend.
’t Zij klein of groot, zij erven
zijn zegen van rondom;
in leven en in sterven
zijn zij zijn eigendom.
In leven en in sterven
zijn zij zijn eigendom.

Hij kent hen aan ’t gelove,
dat op d’ apost’len bouwt,
en -wat de wereld rove-
zijn schat in hen behoudt.
Wie uit hun woord wil leren
en daarvan ook getuigt,
zal daarmee God steeds eren;
die ziel voor Hem zich buigt.
Zal daarmee God steeds eren;
die ziel voor Hem zich buigt.

Hij kent hen aan de hope,
d’ onwankelbare moed,
die -wat de wereld slope-
blijft zeet’len in ’t gemoed;
zich steeds in al de blijken
der trouwe Gods verheugt,
en ongestoord blijft prijken
in ’t groen der eeuw’ge jeugd.
En ongestoord blijft prijken
in ’t groen der eeuw’ge jeugd.

Hij kent hen aan de liefde,
in zijn gena gegrond,
die – hoe de wereld griefde-
hun bijblijft t’ alle stond;
die heiligend, naar Gods beeld
ons vormt van dag tot dag,
en zich gelukkig oordeelt,
als z’ and’ren zeeg’nen mag.
En zich gelukkig oordeelt,
als z’ and’ren zeeg’nen mag.

Afspelen


melodie met toestemming
Rainer Schröter

Comments are closed.